In Turnhout had men aanvankelijk weinig straatnamen. De stad was in een viertal wijken verdeeld, genoemd naar de vier hoofdstraten: Gasthuisstraat, Pater- of Potterstraat, Herentalsstraat en Otterstraat. Daarbij sloten sporadisch enkele toponiemen of straatnamen aan: de Audaanstraat (of Begijnenstraat), den Drenk (Zeshoek), den Houten Haspel (Warandestraat) enz.
Vanaf de Franse Tijd veranderde er veel. De straataanduiding werd meer en meer een bevoegdheid van de overheid. Pas in de negentiende eeuw werd een echt systeem van straatnamen met huisnummers ingevoerd. Toen werden ook de straatnaambordjes aan de gevels bevestigd. Bij de naamgeving wordt bij voorkeur geput uit gegevens van de toponymie, de volkskunde, de plaatselijke geschiedenis, het kunst- en cultuurleven. Het geven van een straatnaam is nooit eenvoudig. De naam weerspiegelt mee het erfgoed van de gemeente en het beeld dat deze wil uitstralen.
Straatnamenonderzoek is boeiend. Men zoekt de voorlopers van een straatnaam, de datum waarop de huidige naam is vastgesteld, de betekenis ervan, eventueel geïllustreerd met kaarten en foto’s. Vaak moet een beroep gedaan worden op de toponymie (plaatsnaamkunde).
Door een onderzoek naar straatnamen leert men de geschiedenis van Turnhout, de ontwikkeling van de stad op een heel eigen manier kennen. Straatnamen leggen hele netwerken bloot: evolutie van de omvang van de stad, sociale en economische verhoudingen en evoluties, het volkse karakter enz.
In het boek wordt ook ingegaan op: oude benamingen, gekende plekken zoals de Zeshoek of het Patersplein die nooit een officiële benaming werden, een aantal poortjes en rijen. De tekst wordt geïllustreerd met prentkaarten en foto’s. Daarnaast worden ook anekdotes en wetenswaardigheden opgenomen die een boeiend verhaal ophangen van de stad.
In een inleidend hoofdstuk wordt ook kort de geschiedenis van de stad geschetst aan de hand van de meest recente studies en onderzoek.

