“Loopbaanzelfsturing” is een opmerkelijk boek, omdat het erin slaagt om vanuit een zeer reflexief en filosofisch uitgangspunt aan de lezer zeer concrete adviezen mee te geven om na te denken over zijn eigen loopbaan en die zelf te sturen. De auteur gaat grondig in op de plaats van arbeid in het leven van een mens, maar doet evenzeer nadenken over hoe we het best omgaan met verlangens, ambities, frustraties. Hij neemt de lezer mee in vaak boeiende en vlot verteerbare reflecties. Daarnaast voegt hij bij elk hoofdstuk een reeks vragen en opdrachten, die de lezer uitnodigen om nog grondiger stil te staan bij de besproken thematiek. Hij helpt, zonder de lezer oppervlakkige en al te voorspelbare tips door de strot te duwen, om in kaart te brengen hoe iemand zijn loopbaan het best kan doen aansluiten bij wat hem fascineert. De auteur stelt vast dat arbeid bij de Westerse mens een dubbele moraal oproept: enerzijds ontleent hij eigenwaarde, status en identiteit aan zijn werk, maar anderzijds doet hij ook vaak alsof arbeid slechts bijzaak is, of een noodzakelijk kwaad, alsof het zwaartepunt van het bestaan toch vooral in het privéleven moet worden gezocht. Dat is vreemd, aangezien arbeid alleen al qua tijd een zeer dominante rol in ons bestaan speelt. Die vaststelling vormt de aanleiding om het begrip arbeid en de functie ervan uitgebreid toe te lichten. Het denken over arbeid heeft in de voorbije decennia een sterke evolutie doorgemaakt. Zo werd, in de tijd dat het Taylorisme hoogtij vierde, het denken en doen in arbeidscontext strikt gescheiden. Maar dat principe heeft geleidelijk plaats moeten maken voor de overtuiging dat ook in arbeidssituaties rekening moet worden gehouden met het feit dat de mens een denkend en werkend, maar bovendien ook een voelend en willend wezen is en dat dit gevolgen heeft voor zijn motivatie, inzet en gezondheid. Stilaan is ook de gedachte gegroeid dat arbeidsmotivatie van binnenuit komt. De persoonlijk ervaren kwaliteit van de eigen arbeid krijgt steeds meer prioriteit. Werk moet niet alleen nuttig zijn, maar ook zinvol. Is dat niet het geval, dan kan dat leiden tot “existentiële” frustratie. De auteur vermeldt in dat verband de anekdote van een Amerikaanse topdiplomaat die in psychotherapie ging, maar bij wie al snel bleek dat hij geen psychisch probleem had, maar dat zijn “wil tot betekenis” werd gefrustreerd door zijn loopbaan. Hij verlangde eigenlijk naar ander werk. En die verandering leidde uiteindelijk ook tot meer tevredenheid. Het probleem hierbij is dat de mate van nuttigheid in het algemeen min of meer objectief te benoemen is. Dat geldt echter niet voor de zin van de dingen. Die is subjectief en particulier. Elke mens is op zich een unieke zingever, zingeving is een zeer individueel gegeven. Daarbij spelen verwachtingen en doelstellingen, verlangens, denkconstructies, normen en regels, stemming van het moment, en dergelijke. Maar veel mensen zijn, zeker in arbeidscontext, wandelende hoofden. Ze hebben zich wellicht meer geïdentificeerd met hun denken, hun kennis en inzichten. Voor een deel hebben ze het afgeleerd om op hun drijfveren te vertrouwen of om hun gevoel te volgen. Ze bedenken vooral wat ze moeten doen en wat ze niet mogen doen. Ze voelen het als een noodzaak om het leven onder controle te hebben . Maar in loopbaanzelfsturing is dat niet voldoende. Een mens heeft ook zijn oorspronkelijke vitaliteit - levenskunst - nodig om in harmonie te kunnen blijven met zichzelf. Niet dat de auteur “leven vanuit het hoofd” afwijst, wel integendeel. Alleen is dat een te beperkte manier om naar de loopbaan en het leven in het algemeen te kijken. Vooral bij een zoveelste reorganisatie, langdurige hoge werkdruk of bij een relatieprobleem dreigt men dan zwaar uit evenwicht te gaan. De uitdaging tijdens loopbaanzelfsturing bestaat er volgens de auteur dan ook in om hoofd, hart en “buik” in harmonie te krijgen, om het centrum te vinden in zichzelf en om ook verlangens, drijfveren, idealen, inspiratiebronnen en fascinaties een belangrijke plaats te geven in het bestaan. De kunst daarbij is dat men verandert wat men niet kan accepteren en dat men accepteert wat men niet kan veranderen. Het juiste onderscheid daarin maken, levert uiteraard stof tot nadenken. De auteur zet de lezer daartoe op weg. Hij toont doorheen het boek eigenlijk aan dat loopbaanzelfsturing erop neerkomt dat je al lerend, met vallen en opstaan, steeds meer jezelf kan en mag zijn. In die zin gaat loopbaanzelfsturing veel verder dan de eigen carrière, maar geeft het de aanzet om evenwicht te vinden met jezelf, je leven en je omgeving. Een boek dat lezers, op een ongedwongen en niet-geforceerde manier, dwingt om daarbij stil te staan, is zonder meer een waardevolle publicatie. En dat geldt wel degelijk voor “Loopbaanzelfsturing”.
(Bron : Uitgelezen - HRMagazine)

